Scroll to top

Een zeilmaker uit Grootebroek


Peter Swart - 6 februari 2019 - 0 reacties

Het is vaak moeilijk na te gaan welke mensen bij een scheepsramp om het leven kwamen. Hun begrafenis werd niet geregistreerd in de begraafboeken. Er werd ook geen impost (belasting) betaald, dus in de boeken met impost op begraven komen drenkelingen ook niet voor. Door te zoeken in verschillende bronnen is het mogelijk na te gaan of iemand de ramp overleefd had en hoe zijn leven verder verlopen was.

 

Pieter Sijmesz Baas

Pieter Sijmesz Baas kwam uit Grootebroek, hij was de eerste zeilmaker aan boord van het schip. Een belangrijke functie; beschadigde zeilen konden een reis flink vertragen. Een goede vakman kon dit voorkomen. Voor zijn vakmanschap verdiende hij 20 gulden per maand. Pieter Sijmesz. Baas overleefde de ramp, want zijn naam komt voor in bronnen ná 1715. In de Doop-, Trouw- en Begraafboeken van Grootebroek vinden we meer informatie over het leven van Pieter Baas, onder andere in de boeken waarin de impost op begraven werd bijgehouden. In oktober 1720 werd impost betaald voor de begrafenis van Sijmon Pietersz Seijlemaker, zijn vader was Pieter Sijmonsz Seijlemaker. Daarna volgden meer kinderen waarvan de vader Pieter Seijlemaker of Zeijlemaker was; in september 1723 een zoon, in december 1724 een ongedoopt kind, in februari 1727 een dochter, in juni 1729 een zoon en in augustus 1732 een zoon. Dit is zeer waarschijnlijk Pieter Baas die in 1715 aan boord van het onfortuinlijke schip stapte, maar de ramp overleefde.

 

Baas alias Zeilmaker

In het oud-notariële archief zijn aktes te vinden waarin Pieter Baas voorkomt. In februari 1736 werd een akte opgemaakt over de huurschuld van Pieter Baas ‘in de wandelinge’ Pieter Sijlemaker genoemd. Het lijkt erop dat Pieter Baas in de loop der jaren zijn beroep als achternaam is gaan gebruiken. Dit was voor 1811 niet ongebruikelijk, achternamen waren nog niet vastgelegd en konden veranderen. Pieter Baas had een huurschuld van 145 gulden over het jaar 1735, hij had een stuk grasland in Bovenkarspel gehuurd. De huurbaas had beslag laten leggen op een aantal koeien van Pieter. Als Pieter niet binnen drie weken zou betalen, dan werden de koeien getaxeerd en verkocht om de schuld te voldoen.

 

Overlijden

In een notariële akte van 7 mei 1737 laten Pieter en zijn vrouw Geert Arenthouts hun testament opmaken. Geert was ziek; vaak was dit een aanleiding om een testament op te laten stellen. Geert herstelde, want op 10 augustus 1744 liet het paar weer een testament maken. In beide aktes werden de namen van de kinderen niet genoemd, wel wordt een aantal keer gesproken over kind of kinderen voortkomend uit het huwelijk. Mogelijk dat geen van de kinderen van Geert en Pieter de kindertijd hadden overleefd. Bij de laatste akte was het Pieter die ‘ziek en swak’ was. Niet lang daarna overleed hij. Op 17 augustus 1744 betaalde Dirk Aarnoutsz. 3 gulden impost voor de begrafenis van Pieter Zeijlemaker. Geert Arenthouts werd begraven in Grootebroek op 29 december 1756; zij was in de tussenliggende jaren hertrouwd met Pieter Kreuk.

 

Afbeelding: Het dorp Grootebroek in de eerste helft van de achttiende eeuw. (Westfries Archief)

 

Deze bijdrage is van Sanne Maasbach van het Westfries Archief en op 14 maart 2016 gepubliceerd op de website van het archief.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.